Heiligen
15 Mei
Dimpna van Geel
Olieverf op paneel, ca. 125 x 70 cm (elk paneel)
Antwerpen, The Phoebus Foundation
Foto: Dominique Provost
De doop van Dimpna
met op de achtergrond
het sterfbed van haar moeder
Dimpna wordt door haar vader
ten huwelijk gevraagd
Dimpna en haar gezellen
staan op het punt in te schepen
ca. 1505
© Timothy De Paepe
Litho, 30,5 x 20,8 cm
Antwerpen, Universiteitsbibliotheek
Collectie Thijs [tg uact 1048]
© OPZ Geel
Dimfna, (Dimpna) Maagd en Martelares
15 mei (Bisdom Mechelen)
Missaal:
Samen met haar geestelijk leider, de H. Gerebernus, werd deze Ierse jonkvrouw op last van haar vader om het leven gebracht. (7e eeuw).
Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen:
Jolien Hoekx, Beleidsadviseur Gasthuismuseum Geel, in Openbaar Kunstbezit Vlaanderen: Dimpna is een Ierse koningsdochter. Haar moeder, de koningin, is diep christelijk. Ze voedt haar dochter op volgens het christelijk geloof en laat haar dopen en onderrichten door priester Gerebernus, buiten het weten van de heidense koning. De moeder van Dimpna sterft jong. De ontroostbare koning geeft opdracht om in zijn rijk op zoek te gaan naar een vrouw, even nobel en van gelijke schoonheid. De koninklijke gezanten slagen niet in hun opdracht en na een lange zoektocht raden ze de koning aan om zijn eigen dochter Dimpna te huwen. Ze is het evenbeeld van haar moeder.
Vanaf dat advies is de koning opgezweept door een duivelse begeerte. Dimpna weigert zijn eerste huwelijksaanzoek. De koning dringt zich op. Dimpna vraagt om uitstel en gaat te rade bij priester Gerebernus. Die stelt voor om te vluchten. Dimpna neemt zijn raad aan en vlucht in gezelschap van Gerebernus, de hofbard en diens vrouw. Ze haasten zich naar de kust en steken in woelig water de zee over tot Antwerpen. Ze reizen verder op zoek naar stilte en rust en komen aan in Geel. Daar leven ze in eenvoud dicht bij de sint-Maartenskapel, en wijden hun tijd aan vasten, bidden en nachtelijk waken.
Intussen komt de koning te weten dat Dimpna gevlucht is. Hij wordt uitzinnig. Hij roept zijn gezanten op en gaat op zoek naar Dimpna. Al snel vaart het gezelschap tot Antwerpen. In een herberg in Westerlo vinden ze een spoor van Dimpna, die er met muntstukken uit hun koninkrijk betaalde.
Ze snellen samen met de koning naar Geel. Die doet zijn dochter opnieuw een huwelijksvoorstel. Gerebernus neemt het woord en bevestigt dat Dimpna niet zal zwichten voor bedreigingen, geschenken en beloften. Gerebernus wordt onthoofd. Ook zonder de steun van Gerebernus houdt Dimpna vast aan haar vroomheid en weigert ze opnieuw. De koning raakt buiten zichzelf van woede, tal van dreigementen volgen en uiteindelijk beveelt hij om ook Dimpna te onthoofden. Niemand wil het gruwelijke bevel uitvoeren.
De koning vergeet al zijn waardigheid en onthoofdt Dimpna eigenhandig. Hij vlucht met zijn gezanten, zonder Gerebernus en Dimpna te begraven. Niet veel later begraven de Gelenaren de lichamen. Het graf wordt al snel bezocht door lijdende en ongelukkige mensen en gedurende vele jaren zijn er wonderbaarlijke tekens en genezingen.
Deze korte levensbeschrijving is ontleend aan de Vita die Petrus van Kamerrijk schreef in de eerste helft van de dertiende eeuw.
Goswijn van der Weyden
Goswijn van der Weyden (kleinzoon van de beroemde schilder Rogier van der Weyden) schilderde de acht panelen van de Dimpna-triptiek rond 1505. Opdrachtgever was abt Antonius Tsgrooten van de abdij van Tongerlo. Een opvolger van hem besluit in de achttiende eeuw het altaarstuk in acht stukken te zagen, waarbij de oorspronkelijke banderollen verloren gingen. Tijdens de Franse revolutie verdwijnt het paneel waarop Dimpna onthoofd wordt. Tot 1913 zijn de zeven overblijvende schilderijen te zien in de abdij, daarna worden ze door de paters verkocht om hun missiewerk in de kolonies te financieren. Ze gaan van hand tot hand en worden in 2010 verworven door de Phoebus-stichting.
Meer dan drie jaar lang werden de panelen onderworpen aan een uitgebreid restauratie door de restauratoren van The Phoebus Foundation.
Patronaten
Dimpna wordt afgebeeld met de kroon die ze draagt als prinses en martelares, de Bijbel die ze draagt als christen, het zwaard waarmee ze door haar waanzinnige vader wordt onthoofd en de duivel die de waanzin van haar vader symboliseert.
Patroonheilige van bezetenen, epileptici, geesteszieken; aangeroepen bij geestesziekten en krankzinnigheid.
Vanaf de dertiende eeuw kwamen van heinde en verre mensen met wat we nu een psychiatrische aandoening zouden noemen naar Geel (in de Vlaamse Kempen). Ze bidden er negen dagen lang voor de heilige Dimpna: de geneesheilige tegen zinneloosheid en krankzinnigheid omdat ze de bezetenheid van haar vader weerstond. In 1270 bouwde men in Geel een bedevaartskerk. Aanvankelijk overnachtten de geesteszieken in de kerk, maar later steeds vaker bij de plaatselijke bevolking. Dit groeide langzaam maar zeker uit tot een soort gezinsverpleging.
In de Krankzinnigenwet van 1850 wordt het Geelse model erkend als een aparte situatie. In 1851 komt er een ‘bijzonder reglement voor de kolonie van Geel’. De patiënten wonen vanaf dan bij pleeggezinnen, met medische en therapeutische begeleiding vanuit de instelling.
Het opmerkelijke van de Geelse gezinsverzorging is dat deze nog steeds bestaat. Psychiatrische patiënten worden nog altijd in gezinnen opgevangen. Heel het dorp wordt in feite een immense instelling, waar patiënten de illusie van complete vrijheid genieten. De kolonie wordt beschouwd als een modelinstelling, een na te streven ideaal. Het is tot de dag van vandaag een inspirerend model.
in Geel gezeten
Toen wij - vijfde klas lagere school - op schoolreis met de bus door Geel reden gingen wij allemaal staan om te voorkomen dat we ‘in Geel gezeten hadden’. De uitdrukking betekende dat je gek, of op zijn minst geestesziek was.
23
Recente Blogs
Categorieën
Nieuwsbrief
Neem een gratis abonnement op de nieuwsbrief en ontvang een dagelijkse update!.
