Heiligen
21 Maart
Benedictus
Gent-Brugge, 1495-1501
Perkament, Latijn en Portugees, 224 x 160 mm
Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh
Folio 424 verso
Vita Beati Benedicti
De miniatuur in het Propium sanctorum (Tijdeigen der heiligen) in het Breviarium Mayer van den Bergh toont verschillende scènes uit het leven van Benedictus: de duivel die het klokje verbrijzelt, de paasmaaltijd en de boetedoening in de doornen.
De miniaturist heeft zich gebaseerd op Hoofdstuk II: ‘Hoe Benedictus een vleselijke bekoring overwon’, overgenomen uit Vita Beati Benedicti, in de Dialogen van Gregorius de Grote.
Daarna kwam hij op een plaats waar hij drie jaar bleef zonder dat iemand ervan wist behalve een monnik, Romanus genaamd, die hem ijverig van de noodzakelijke voorzag. Omdat er van het klooster van Romanus geen pad naar de grot leidde, bond hij het brood altijd aan een lang touw en liet het dan zo zakken. Hij had een belletje aan het touw vastgemaakt zodat de man Gods aan het gerinkel kon horen wanneer Romanus hem brood bracht. Hij kwam dan naar buiten om het te pakken. Maar de Oude Vijand, die de een zijn menslievendheid en de ander zijn voedsel misgunde, gooide een steen en brak het belletje. Toch hield Romanus niet op om hem van het nodige te voorzien.
Hierna verscheen de Heer in een droomgezicht aan een priester die bezig was op het hoogfeest van Pasen een maaltijd voor zichzelf klaar te maken, en Hij zei: ‘ Je bereidt voor jezelf een heerlijk maal en mijn dienaar daar vergaat van de honger.’ De priester stond meteen op. Met grote moeite vond hij Benedictus en zei: ‘Kom laten we gaan eten, want vandaag is het Pasen van de Heer. [Ex. 12,11]. Benedictus zei tegen hem: ‘Dat het Pasen is weet ik doordat ik u heb mogen ontmoeten.’ Omdat hij immers ver weg van de mensen woonde, wist hij niet dat het op die dag het hoogfeest van Pasen was. De priester antwoordde: ‘Het is vandaag werkelijk de dag van de Verrijzenis van de Heer. Nu te vasten past u niet; daarom ben ik juist naar u toegestuurd.’ En zo prezen zij God en namen de maaltijd.
Vroeger had hij eens een vrouw gezien, en deze stelde de boze geest hem voor zijn verbeelding. Hij wist de dienaar Gods zo zeer voor haar schoonheid te ontvlammen, dat in zijn borst een ware brand ontstond van begeerte, dermate , dat hij er bijna over dacht zijn lust te volgen en de eenzaamheid te verlaten. Op dat zelfde ogenblik schoot de genade van boven hem te hulp en hij kwam tot zichzelf. Zijn oog viel op de brandnetels en doornstruiken, die daar welig groeiden. Hij trok zijn kleed uit en wierp zich naakt in de scherpe dorens en de gloeiende brandnetels. Lange tijd wentelde hij zich er in rond en kwam er uit met niets dan wonden over zijn gehele lichaam; maar door de wonden van zijn huid had hij de wond van zijn geest uitgedreven, want hij veranderde de lust in pijn. Terecht strafte hij zich door van buiten te branden, en zo wat ongeoorloofd van binnen brandde te blussen. Hij overwon de zonde door van brand te veranderen. Vanaf dat ogenblik, zoals hij later zelf aan zijn leerlingen vertelde, was de bekoring van zingenot volkomen in hem onderdrukt, zodat hij er nooit de minste last meer van ondervond.
In de Legenda aurea komt de boetedoening in de doornen niet voor. Jacobus de Voragine heeft Hoofdstuk II: Hoe Benedictus een vleselijke bekoring overwon, niet overgenomen uit Vita Beati Benedicti.
26
Recente Blogs
Categorieën
Nieuwsbrief
Neem een gratis abonnement op de nieuwsbrief en ontvang een dagelijkse update!.
